WAAR DE GEEST WOONT (jaarthema huisbezoeken 2009/2010)
1. Trouw
God beloofde in het oude verbond de uitstorting en inwoning van zijn Geest, omdat Israël Hem telkens weer verliet en zijn verbond verbrak. De Heilige Geest is het die de kerk trouw maakt (Jer. 31:31-34; Ezech. 36:22-27).
Trouw in het zoeken en volgen van het onderricht van de apostelen, trouw in de onderlinge gemeenschap, trouw in daadwerkelijke hulp en zorg voor elkaar, trouw in het bidden (Hand. 2:42).
Dankzij die trouw naar alle kanten is het een gemeente met uitstraling (Hand. 2:47).
2. Keus
De Geest bewerkt een besliste keus (Deut. 30:11-20).
De eerste christenen moesten breken met priesters en wetgeleerden, lieten zich publiek dopen in de naam van de Here en lieten zich in het vervolg in de samenkomsten van de apostelen onderrichten (Hand. 2:38-42).
3. Heilbegerig
De Geest is de Trooster/Pleitbezorger/Parakleet die Christus verkondigt en grootmaakt. Waar de Geest woont, heerst gretigheid in kerkgang en catechese: gretigheid naar verkondiging en onderwijs en verheerlijking van Christus (‘trouw aan het onderricht van de apostelen’, Hand. 2:42). Wat ziet men aan ons: trek naar de wereld, hang naar mooie spulletjes, de droom van een rimpelloos leven? Of het verlangen naar geloof en heil?! Wat bezielt ons?
4. Gemeente
De Geest woont in de gemeente: zij is zijn tempel en huis (1 Kor. 3:16; Ef. 2:21,22).
Niet buiten de kerk om, maar juist als de Geest die in de gemeente woont, woont de Geest in ons (Ef. 3:14-21).
Door de Geest delen wij in hetzelfde geloof en heil (Ef. 4:3-6).
Door de Geest hebben we samen toegang tot de Vader (Rom. 8:15,16; Gal. 4:6; Ef. 2:18).
En de Geest verbindt ons ook met elkaar: de vrucht die Hij werkt, is juist gericht op verbondenheid en eenheid (Gal. 5:22,23).
Waar de Geest woont, worden geen mensen afgestoten, maar aangetrokken en vastgehouden en teruggeroepen in zachtmoedigheid (Matt. 18:15-17; Gal. 6:1-5).
Verschillen in sterke en zwakke punten drijven daar niet uiteen maar zijn evenzovele drangredenen om de band aan te halen en trouw te zijn aan de gemeenschap die de Geest van Christus vormt (Hand. 2:42).
5. Vreugde
Waar de Geest woont, daar heerst vreugde (Hand. 2:46).
Daar heerst geen zelfzucht of zelfvoldaanheid. Daar zijn niet ‘ik’ en ‘zelf’ de toverwoorden. Maar daar heb ik oog en hart voor allen die de Here bij de gemeente geroepen heeft of bij haar roepen wil (‘trouw in het delen van het brood/eten’, Hand. 2:42). Binnen haar en vanuit haar is er daadwerkelijke hulp en zorg, die mensen houdt bij en trekt naar de tempel van de Geest.
6. Aan God gewijd
De gemeente waar de Geest woont, is niet maar ‘leuk’ of ‘sociaal’ of ‘bruisend’, maar aan God toegewijd (‘trouw in het bidden’, Hand. 2:42). De leden leven met Hem en voor Hem. Ze weten zich priesters in dienst van de levende God. Ze luisteren naar Hem en roepen Hem aan. Ze zijn heilig omdat God heilig is. Ze laten de Geest in zich werken; en ze zijn erop uit dat Gods naam dóór hen en óm hen niet gelasterd, maar geëerd en geprezen wordt.
7. De Bron
De gemeente moet het niet hebben van spektakel of kortstondige kicks, maar van de Here die trouw is. Wij hoeven ons niet uit te sloven om water naar Hem te dragen, Hij is Zelf de bron van levend water (Jer. 2:13).
Wij mogen drinken! Om niet! God heeft zijn kracht verbonden aan de middelen van Woord, sacramenten en gebed. Wie dat ‘niet genoeg’ of ‘maar saai’ vindt, moet niet op hoge toon allerlei andere dingen eisen, maar zich bekeren.
Tekst van het jaar: Hand. 2:42; lied van het jaar: Lied 242